Symposium Heilig Vuur

Door: Annemiek Lely
Gepubliceerd op: Zinweb
Mei 2015

“Dit symposium begint een religie te worden”, aldus docent en onderzoeker Ronald Hünneman van de Rijksuniversiteit Groningen. Als voormalig student Kunsten, Cultuur en Media student en oud-bestuurslid van Studievereniging IK, was ik op 21 mei 2015 te gast bij het derde minisymposium, georganiseerd door de universitaire studie Arts, Culture and Media, het Groninger Museum, Studievereniging IK en het onderzoekscentrum Arts in Society. Ieder jaar staat een actueel thema rondom kunst centraal. Dit jaar hoefde er niet lang over het onderwerp vergaderd te worden. Binnen drie minuten werd bepaald dat het dit jaar tijd was voor de innige relatie tussen kunst en religie. Brengt religie kunst voort of rust religie op kunst?

Na een kort voorwoord van dagvoorzitter Hünneman, was het woord aan conservator van het Tropenmuseum, Mirjam Shatanawi. In haar presentatie ging ze in op de omgang met beeld in de Islam. Een zeer actueel onderwerp, nu de verwoestingen in Palmyra overal in het nieuws zijn. Aan de hand van afbeeldingen benaderde Shatanawi het vermeend beeldverbod in deze wereldregie. Met de nadruk op vermeend, omdat de Koran hier niets over vermeld, aldus Shatanawi. Ze toonde een miniatuur over de profeet Mohammed die stelt dat afbeeldingen vermeden moeten worden. Een paradoxaal gegeven. Shatanawi vertelde dat binnen de Islamitische kunstgeschiedenis gezocht werd naar wegen om het heilige te verbeelden. Hierbij stelde ze dat het een eurocentrische opvatting is dat hier beeld voor nodig is. In de Islamitische traditie wordt het heilige voornamelijk weergegeven in tekst. Een voorbeeld hiervan is Mehmed Tahir Efendi’s portret van Mohammed uit het 19e eeuwse Turkije. Shatanawi sloot af met een discussie over het doel van kunst. Zo zijn er Islamieten die beeld goedkeuren afhankelijk van het onderwerp het representeert. Deze politieke en religieuze discussie zal voorlopig nog blijven voortbestaan.

Vervolgens was het tijd voor Emeritus Hoogleraar van de Rijksuniversiteit van Groningen, Arjo Vanderjagt. In zijn presentatie besprak hij Javaanse katholieke beeldtaal ten tijde van het regime van Soeharto. In een multiculturele samenleving met o.a. katholieken, moslims en Chinezen, moest de politiek een weg vinden om religieuze uitingen naast elkaar te laten bestaan. Religieuze architectuur moest duidelijk in het teken staan van de godsdienst die het representeerde en er mochten geen architectonische mengvormen bestaan. Eveneens ging Vanderjagt in op de status van de katholieke kerk in de jaren ’20 in Nederlands-Indië. Hierbij richtte hij zich op uitspraken van de, van oorsprong Duitse, inwoner van Nederlands-Indië, Joseph Schmutzer, die zich verdiepte in de christelijk-Javaanse kunst. In de beelden waren Hindoeïstische elementen te herkennen. Opmerkelijk genoeg werden enige van deze beelden gemaakt door de islamitische beeldhouwer Iko.

Promovendus Michel Dijkstra opende met een geestige verwijzing naar de stickers die de gasten het symposium op hun kleren droegen. Uit sympathie voor het zenboeddhisme, besloot hij geen label te dragen. “Het zenboeddhisme is geen godsdienst” is het statement waar Dijkstra zijn inhoudelijke verhaal mee begon. Hij legde uit dat het zenboeddhisme een zienswijze is, die een genuanceerde houding ten opzichte van beeld kent. Dijkstra besprak de relatie tussen zenboeddhisme en beeld aan de hand van afbeeldingen van de os. De os symboliseert voor de weg die degene die mediteert, aflegt. Aan de hand van tien afbeeldingen, beschreef Dijkstra deze weg.  “Vanuit de beelden naar de beeldloosheid is de filosofie van zen”, besloot Dijkstra.

Na de pauze, waarin er ruimte was om de tentoonstelling over de kunstenaar H.N. Werkman in het Groninger Museum te bezoeken, richtte godsdienstwetenschapper Joram Pool zich op joden en Joden in populaire muziek. Hij leidde zijn presentatie in met een fragment uit Gerschwin’s Rapsody in Blue. Daarna toonde Pool een lijst met muziek uit de jaren ’30 waar Joodse muzikanten bij betrokken waren. In verhouding was het aandeel van Joodse muzikanten aan de Amerikaanse cultuur van die tijd zeer groot. Tijdens de presentatie passeerden vele bekende hits de revue. Waaronder Somewhere over the Rainbow en Elvis’ Hound dog. Pool verklaarde de aanwezigheid van Joodse muzikanten in het schrijfproces van deze hits vanuit hun underdogpositie. Joden functioneerden als bemiddelaars tussen zwarten en blanken in de muziekindustrie, aldus Pool. Aangekomen bij de jaren ’60, vertelde Pool over Bob Dylan’s relatie met het Jodendom. Ook Paul Simon, Leonard Cohen, Lou Reed en Amy Winehouse werden besproken. Pool concludeerde dat een presentatie over het Jodendom vaak over de etnische groep gaat en dat het religieuze aspect van dit onderwerp meestal achterwege blijft. Zo ook in zijn presentatie.

Promovendus Lianne van Beek vertelde over haar onderzoek naar het uiterlijk van de middeleeuwse, miraculeuze Mariabeelden. Van Beek besprak de ontwikkeling van de verering van Jezus, en speciaal van Maria, in de Middeleeuwen. Zo legde ze uit dat er in de 13e eeuw zelfs bewakers aan te pas moesten komen omdat mensen graag zo dicht mogelijk bij Maria wilden zijn. Hoop op wonderen en genezing waren redenen voor de Maria devotie. Ook het bestaan van relieken werd besproken. Evenals de vervalsing ervan. Van Beek gaf een overzicht van de Mariabeelden en/of relieken in Nederland ten tijde van de late Middeleeuwen. Tussen de Mariabeelden van steden ontstond een vorm van concurrentie, aldus Van Beek. Steden bedachten manieren om hun Maria interessanter te maken door bijvoorbeeld verhalen over het beeld te bedenken. Om deze aantrekkingskracht te illustreren, vertelde Van Beek over het wonder van de Maria van Den Bosch. Met het citaat “Jezus, hoe lelijk is dit beeld” kreeg Van Beek de zaal aan het lachen. Ze vervolgde haar presentatie door in te gaan op de esthetiek van het Mariabeeld en sloot af met een afbeelding uit 2013 waarin een beeld letterlijk op handen werd gedragen: “she is still going strong.”

Als laatste, ging Thijs Lijster in op de inherente strijd tussen kunst en religie. Hij begon zijn presentatie met de opmerking dat zijn lezing, alhoewel het over blasfemie gaat, niet blasfemisch pretendeert te zijn. Hij legde dit statement met een voorbeeld uit Monty Python’s Life of Brian. Blasfemie is het tot in extreme trekken uit “God alles in allen”, aldus Lijster. Het zogeheten gedicht van Gerard Reve illustreert blasfemie. Het gaat om het overschrijden van een grens tussen het heilige en het profane. De vieze voeten van Sint Mattheus in een schilderij van Carravagio of de Piss Christ van Serrano: blasfemie alom. Evenals het gebruik van heiligen voor commerciële doeleinden, het vereren van valse goden of het in verband brengen van Jezus en geweld.

Helaas moest ik de zaal voor het einde van het symposium verlaten. De trein terug naar Amsterdam stond op me te wachten. Gelukkig had ik onderweg genoeg stof om over na te denken. De relatie tussen kunst en religie is een interessant thema en het minisymposium gaf een boeiende impressie van dit grote, zeer actuele onderwerp.

Advertenties